Gepubliceerd op 5 juli 2019

De ervaring van:

Astrid van Dorland Wijkverpleegkundige STMR Stel een vraag

  Leestijd: 3 minuten

“Sinds 2015 heb ik veel meer beslissingsbevoegdheid”

Gemeenten zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor zorg aan langdurig zieken en ouderen. Astrid van Dorland vertelt waarom ze blij is met deze ontwikkeling.

“Sinds de transitie in 2015 heb ik veel meer beslissingsbevoegdheid en daar ben ik oprecht blij mee. Ik heb nu de mogelijkheid om in bepaalde gevallen wat meer tijd te indiceren dan bijvoorbeeld de 10 minuten die voor het aan- en uittrekken van steunkousen stonden bij het CIZ. Bij andere cliënten is na instructie over een hulpmiddel helemaal geen zorg meer nodig voor steunkousen. Of ik kan een cliënt om de dag douchen in plaats van elke dag. Dat biedt ruimte voor een huisbezoek bij een cliënt die meer zorg nodig heeft. Sinds het ‘nieuwe indiceren’ kan ik meer cliënten bedienen in minder tijd én kwaliteit van zorg blijven bieden. Er kan nu echt zorg op maat geïndiceerd worden.

In mijn overweging kijk ik altijd naar de menselijke maat – wat echt nodig is – en naar de kosten voor de maatschappij. Ik leg mijn beslissingen naast het normenkader en de beroepscode en zorg ervoor dat ik altijd mijn uren kan verantwoorden in het zorgplan. Soms moet je stevig in je schoenen staan, maar ik kan mijn keuzes tot nu toe altijd uitleggen aan de cliënt. Voorbeeld: een dame van 90 jaar in mijn wijk heeft een spierscheurtje in haar schouder. Ik indiceer dan kortdurende zorg. Haar dochter wilde graag dat ik na de kortdurende zorg toch drie keer per week langs zou blijven komen. Dat kan gewoonweg niet. Ik heb meer ouderen in mijn wijk die dezelfde zorg nodig hebben en die gun ik dat ook. Als ik dat duidelijk uitleg aan de cliënt en de mantelzorger hebben zij daar vrijwel altijd begrip voor.

Aan het begin van de transitie moesten én de cliënten én de wijkverpleegkundigen leren omgaan met de beslissingsvrijheid. Bij het eerste bezoek kwam ik vaak in situaties waarin de mensen zenuwachtig waren, bang dat ik niet zou indiceren voor hulp bij steunkousen, bijvoorbeeld. Nu verloopt het allemaal veel natuurlijker, is duidelijk welke zorg wij kunnen en willen bieden en wat de argumenten voor de indicatie zijn. Soms kan het netwerk ingezet worden, maar niet altijd: ik laat een oudere met reumatische handen niet ploeteren. Ik wil goede zorg op maat voor al mijn cliënten.”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.