Gepubliceerd op 17 juni 2019

  Leestijd: 6 minuten

Normenkader voor de verpleegkundige indicatie en organisatie van zorg

Verpleegkundigen, cliënten, zorgaanbieders, zorgverzekeraars en gemeenten hebben zich met elkaar verdiept in de essentie van het beroep van verpleegkundige en verzorgende. Resultaat hiervan is het ‘Normenkader voor verpleegkundige indicatiestelling’*. Professionals, zorgorganisaties en verzekeraars kunnen hieraan toetsen of de indicatiestelling plaatsvindt conform het normenkader van de beroepsorganisatie.

Het normenkader (V&VN, 2014) is een leidend principe voor de wijkverpleging. Dit zijn de beroepsafspraken die met elkaar gemaakt zijn. Het normenkader borgt de afspraken waarop kan worden getoetst en is tevens opgenomen als leidend principe in het toetsingskader ‘Toezicht op de zorg thuis’ van de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Het kader is opgebouwd uit zes normen. Deze laten zien waaraan verpleegkundigen moeten voldoen wanneer zij verpleging en verzorging in de eigen omgeving indiceren en organiseren.

1. Indiceren en organiseren van zorg vindt plaats op basis van professionele autonomie. Professionele autonomie garandeert cliëntgerichtheid en een onafhankelijk besluit.

Professionele autonomie wil zeggen dat je je bij de indicatiestelling en organisatie van zorg laat leiden door je professionele inzichten in relatie tot het belang van de cliënt. Je bent verantwoordelijk voor je handelen en kunt hierop worden aangesproken. Het is daarom heel belangrijk dat je altijd je handelen kunt beredeneren en beargumenteren. Respect, vertrouwelijkheid, eerlijkheid, weldoen, geen schade toebrengen, autonomie en rechtvaardigheid zijn belangrijke waarden (Brouwer & Kieft, 2013). Acht jij het nodig om af te wijken van de richtlijnen, dan mag dat, mits je het kunt verantwoorden. Dat is de autonomie die je hebt.

2. Indiceren en organiseren van zorg wordt gedaan door een bachelor of master opgeleide verpleegkundige. Van deze professionals mag verwacht worden dat zij beschikken over de noodzakelijke competenties.

Indicatiestelling en zorgtoewijzing wordt gedaan door:

  • de verpleegkundig specialist (artikel 14, wet BIG, hbo-master)
  • de verpleegkundige (artikel 3, wet BIG, hbo-bachelor)

Van deze zorgprofessionals mag verwacht worden dat zij bekwaam zijn om de indicatiestelling en organisatie van zorg op een professionele en passende manier uit te voeren en/of in te schatten wanneer zij expertise van derden nodig hebben. Naast zorginhoudelijke kennis is een grondige kennis van de sociale kaart en de geldende wet- en regelgeving noodzakelijk.

3. Indiceren en organiseren van zorg is gericht op het versterken van eigen regie en zelfredzaamheid van cliënten en het cliëntsysteem. Verpleegkundigen sluiten hiermee aan op de maatschappelijke noodzaak de zorg verantwoord uit te voeren.

Eigen kracht en regie zijn belangrijk voor de kwaliteit van leven. Om de eigen regie en zelfredzaamheid te versterken, is het nodig de cliënt goed te kennen, de zorg af te stemmen met de cliënt en op de hoogte te zijn van het cliëntsysteem (gedeeld begrip). Daarnaast is uitstekende kennis van de sociale kaart en voorzieningen nodig. Wijkverpleegkundigen geven aan dat bij het versterken van eigen regie en zelfredzaamheid de volgende vragen centraal staan (CVZ, 2013):

  1. Wat wilt u, wat zijn uw persoonlijke doelen?
  2. Welke problemen heeft u daarbij?
  3. Hoe komt dat en wat kunt u zelf doen?
  4. Wat kan de mantelzorg/familie en/of het sociale steunsysteem doen?
  5. Wat kan de (wijk)verpleegkundige doen?

4. Besluitvorming rond het indiceren en organiseren van zorg vindt plaats op basis van het verpleegkundig proces. De methode die verpleegkundigen daarbij hanteren is het klinisch redeneren. Dit proces bestaat uit vraagverheldering, diagnose, planning van resultaten en interventies, organisatie, uitvoer en evaluatie van zorg.

Zorg op basis van het verpleegkundig proces gaat om de integratie van indicatie en organisatie van zorg. Dit is een dynamisch proces. De situatie van cliënten kan immers per dag verschillen en bovendien vergt het tijd om de cliënt en het cliëntsysteem te leren kennen. Vanuit gedeeld begrip kunnen de juiste interventies gekozen worden. Indicatiestelling en organisatie van zorg kunnen dus niet los van de zorguitvoering worden gezien. Het verpleegproces bestaat uit vraagverheldering (anamnese) diagnose, planning van resultaten en interventies, uitvoering en evaluatie. De methodiek die verpleegkundigen hanteren in het verpleegproces is klinisch redeneren.

5. De verslaglegging voldoet aan de V&VN richtlijn voor verslaglegging. Sinds 2011 bestaat een richtlijn voor verpleegkundige verslaglegging waarin het doel en de onderdelen van de verslaglegging worden besproken.

In 2011 verscheen de V&VN richtlijn ‘Verpleegkundige en verzorgende verslaglegging’. In deze richtlijn worden het doel van de verslaglegging, de onderdelen van de verslaglegging, de verslaglegging zelf en de rechten en plichten van cliënten en hulpverleners beschreven. Daarnaast wordt geadviseerd gebruik te maken van gangbare classificatiesystemen en begrippenkaders zoals de ICF, de gezondheidspatronen van Gordon, Omaha, de NANDA, de NIC en de NOC. De richtlijn is van toepassing op papieren en elektronische dossiers. Goede verslaglegging is van belang voor het vaststellen, verlenen, voortzetten, evalueren, overdragen en controleren van de zorg.

6. De verpleegkundige overdracht voldoet aan de V&VN standaard voor overdracht van zorg. De standaard bestaat uit informatie over maximaal 27 items in combinatie met de keuze voor een ‘warme overdracht’ als dat noodzakelijk is.

Het aantal indicatieaanvragen als gevolg van een behandeling in een ziekenhuis zal in de toekomst in aantal toenemen omdat de zorg steeds meer dichtbij huis gegeven wordt. Een goede overdracht is daarom van groot belang voor de continuïteit van zorg tussen alle zorgdomeinen. In de landelijke standaard staan de afspraken over inhoud (welke zorggegevens worden vastgelegd) en informatie-uitwisseling (hoe worden gegevens vastgelegd op terminologieniveau). Het overdrachtsbericht kent een digitale toepassing (e-overdrachtsbericht), maar kan ook zonder digitale hulpmiddelen worden toegepast. Het is aan zorgprofessionals om de meest adequate manier van overdragen te kiezen.

Items uit het Overdrachtsbericht (Verwey et al., 2010) zijn:

  1. Persoonsgegevens
  2. Gezinssamenstelling
  3. Woonsituatie
  4. Organisatie
  5. Medische gegevens
  6. Samenvatting zorg
  7. Meetwaarden
  8. Mobiliteit
  9. Wassen
  10. Mondverzorging
  11. Aan- en uitkleden
  12. Toiletgang, eten/drinken
  13. Voeding
  14. Toediening systemen
  15. Uitscheiding
  16. Seksualiteit en voortplanting
  17. Huis
  18. Slaap
  19. Zintuigen
  20. Pijn
  21. Algemeen psychisch functioneren
  22. Algemene mentale functies
  23. Communicatie
  24. Ziektebeleving
  25. Levensovertuiging
  26. Participatie in de maatschappij
  27. Hulp van anderen

Ook voor gegevensoverdracht gelden de eis van informed consent zoals beschreven in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo) en de algemene privacyregels zoals beschreven in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

“Door het normenkader voel ik me sterk tijdens een gesprek met cliënten, familie en artsen”

Verschillende punten uit het normenkader hebben Tineke van Dis helderheid én de daadkracht gegeven om te doen waar ze goed in is. Lees Tinekes ervaringen met het normenkader in het artikel “Door het normenkader voel ik me sterker in het gesprek met cliënten, familie en artsen”.

Voetnoot*
Het normenkader is tot stand gekomen in samenwerking met een werkgroep van professionals, een klankbordgroep met stakeholders en een stuurgroep met daarin vertegenwoordigd VWS, ZN, ActiZ, BTN, VNG en V&VN. Zie ook: https://www.venvn.nl/Themas/Indicatiestelling/Normenkader

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.