Gepubliceerd op 6 december 2021

  Leestijd: 4 minuten

Handelen in de wijkverpleging in fase 2 van de coronacrisis

Fase 2: de situatie is kritiek. De beslissingen worden niet meer lokaal genomen, maar regionaal. In deze fase werk je al met aangepaste afspraken over werken volgens protocollen en richtlijnen.    

 

1. Instroom cliënten: normaal gesproken worden cliënten aangemeld door onze samenwerkingspartners als ziekenhuis en huisarts. Op dit moment weet iedereen dat de zorg volledig overbelast is en zullen cliënten zelf, huisartsen en ziekenhuizen langer wachten met het vragen om wijkverpleging. De meeste vragen die nu op ons afkomen zijn dus al urgent of dringend, maar dat behoeft wel een goede screening. Er is winst te behalen uit een gezamenlijke instroom, omdat in dit stadium de regio overbelast is maar niet ieder team die overbelasting al voelt. Gebruik het crisis-triagemodel. De eerste stap hoeft niet door wijkverpleegkundigen getriageerd te worden. De ‘dringende en urgente cliënten’ worden doorverwezen naar een wijkverpleegkundige.

2. Onderzoek alle bestaande cliënten volgens het crisis-triagemodel vanaf stap 2 en handel daarnaar. Bij urgente cliënten behoud je de hoognodige interventies volgens stap 2 tot en met 5, maar bij dringende cliënten plan je een huisbezoek of telefonisch consult en bepaal je daarna de interventies.

3. In deze fase is er minder tijd is voor een goede gegevensverzameling, alhoewel dit wel essentieel is voor de besluitvorming. De focus komt in de besluitvorming meer op de korte termijn te liggen en in het voorkomen van ziekenhuisopnames doordat de situatie onveilig, onverantwoord of instabiel wordt.

4. In de besluitvorming zal er een veel groter beroep moeten worden gedaan op mantelzorg, hulpmiddelen en technieken. De mantelzorg is soms belast, de wijkverpleging is dat nu ook. In gesprek zal moeten worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn. De mantelzorger kan wellicht zorgverlof opnemen, of er is een compromis nodig, om zo te voorkomen dat de mantelzorger helemaal niets meer kan en de cliënt alsnog in het ziekenhuis komt. En ook al is digitale zorg – zoals zorg op afstand of digitale monitoring – niet altijd de best passende oplossing op de lange termijn, op de korte termijn kan dat wel zo zijn. De zorg kan op die manier zoveel mogelijk ruimte overhouden voor die interventies die niet door mantelzorg, techniek en hulpmiddelen vervangen kunnen worden.

5. Expert Verpleegkundigen kunnen bepaalde handelingen met instructiefilmpjes aanleren aan mantelzorgers/vrijwilligers zonder zorgachtergrond.

6. In de organisatie van zorg kan het voorkomen dat het wenselijk is te schuiven met collega’s naar andere teams. Het vormen van een flexpool is een optie.

7. De resultaten en de monitoring van zorg richten zich op het voorkomen van ziekenhuis(her)opnames. Het is essentieel dat de wijkverpleegkundige ruimte in haar agenda houdt om te monitoren of eerder gemaakte afspraken nog steeds de best passende afspraken in fase 2 zijn.

Ondersteuningsvragen aan de zorgorganisatie in fase 2

Als het goed is heeft de organisatie al veel voorbereid om fase 2 goed in te kunnen gaan. In fase 1 lag de focus bij de ondersteuningsvragen op organiseren. In fase 2 ligt de focus op samen leren en verbeteren en het verfijnen van alles wat in fase 1 is georganiseerd met de organisatie:

  1. Communiceer binnen de organisaties wat deze fase voor de cliënt en wijkverpleging betekent. Het is in deze fase ook belangrijk dat dit door de organisatie naar de maatschappij in de regio wordt gecommuniceerd. Hierdoor kan de wijkverpleegkundige beter de gesprekken met de mantelzorgers en cliënten voeren.

2. Vraag de organisatie of zij de gezamenlijke triage en instroom willen organiseren met de andere organisaties. De triagisten hoeven geen wijkverpleegkundigen te zijn als er gebruik wordt gemaakt van het crisis-triagemodel.

3. Leer, verbeter, probeer en reflecteer continu om de stappen bij fase 1 en 2 te verfijnen en actualiseren. Plan een (twee) wekelijks crisisoverleg in en Bespreek met elkaar of de ondersteuning helpend is of beter kan en communiceer daarover met de organisatie.

4. Vraag de organisatie mee te denken bij complexe thema’s die vanuit de casuïstiekbesprekingen naar voren komen.

5. Afdeling ‘Opleiden’ maakt in samenwerking met de wijkverpleging een trainingsprogramma voor niet opgeleid zorgpersoneel.

6. Maak afspraken over min-uren op momenten dat er minder zorg geleverd wordt dan voorheen en collega’s in een flexpool komen.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.