Gepubliceerd op 6 december 2021

  Leestijd: 7 minuten

Handelen in de wijkverpleging in fase 1 van de coronacrisis

Het handelen van de wijkverpleging zal in iedere fase van de coronacrisis anders zijn. Het handelen in de ene fase is daarmee ook gericht op een voorbereiding naar een eventuele volgende fase.

Wijkverpleegkundig handelen in fase 1

Fase 1: de situatie is normaal en beheersbaar. Beslissingen worden lokaal genomen. Je werkt zoveel mogelijk volgens de in normale situaties geldende richtlijnen en protocollen. Alle zorgvragen kunnen in de regio worden beantwoord.

In deze fase worden met name de voorbereidingen getroffen voor een volgende fase, alhoewel al wel merkbaar is dat het meer organisatievermogen vergt om aan alle zorgvragen te voldoen.

Stappen rond het handelen in de wijkverpleging in fase 1 van de coronacrisis:

  1. Het triagemodel bepaalt hoe je deze cliënt in zorg neemt: start je met een anamnese of met een interventie? Betrek bij het verzamelen van gegevens één eerste verantwoordelijke (EVV-er) rondom de cliënt die gaat meehelpen om gegevens te verzamelen, zodat bij alle cliënten de GFI en prioriteringsanamnese minimaal is afgenomen. Betrek de EVV’er ook in de besluitvorming over wat de best passende en duurzame oplossingen zijn zodat de EVV’er gaat begrijpen dat dát het doel is van het onderzoek en niet dat het lijstje is ingevuld. Uit onderzoek blijkt ook dat het collega-geluk enorm toeneemt als collega’s hierbij worden betrokken.

Tip: begin bij een collega die dit leuk vindt en bij een cliënt waarbij je veel effect verwacht als je het proces op deze manier doorloopt.

2. Volg de stappen 2 tot en met 5 van het triagemodel. En wees daarbij heel scherp in het onderzoeken van alle mogelijkheden, waardoor zorginzet van het team wijkverpleging zo minimaal als mogelijk nodig is.

3. Het kan in deze fase voorkomen dat het ene team geen ruimte heeft en het andere team nog wel. Overleg met buurtteams en buurtorganisaties is gewenst om de totale instroom te waarborgen. Hanteer indien nodig de Treeknormen en zet de cliënt op de wachtlijst als niemand zorg kan ontvangen, zodat er een overzicht in de regio ontstaat.

4. Het resultaat in deze fase is dat alle cliënten met een zorgvraag in zorg kunnen komen. Zorg betekent ook een gesprek of onderzoek door de wijkverpleegkundige, waarna er niet altijd acties van het zorgteam nodig zijn. Als de instroom van nieuwe cliënten niet kan worden waargemaakt dan dient het verpleegkundig proces ook kritisch te worden toegepast bij alle cliënten die al in zorg zijn. Begin bij de situaties waar je het snelst effect verwacht.

5. Maak gebruik van digitale middelen in het wijkverpleegkundig proces. Voorbeelden: digitaliseer een deel van de anamnese, app: ‘Arts op zak’ of ‘Uwzorgonline.nl’, samenwerkingsapps als ‘OZO verbindzorg’ en de ‘Thuiszorg en technologie app’.

Ondersteuningsvragen aan de zorgorganisatie in fase 1

Om goed en gelijkwaardig te kunnen samenwerken met je organisatie is het essentieel dat je weet wat de wijkverpleging nodig heeft. De organisatie heeft met name in fase 1 veel te doen om te zorgen dat je in fase 2 en fase 3 niet meer met organiseren bezig hoeft te zijn, maar gebruik kunt maken van alles wat al georganiseerd is. Hieronder worden enkele suggesties gedaan:

1.Vraag de organisatie de GFI en de prioriteringsanamnese toe te voegen aan het digitale dossier als dit nog niet gedaan is.

2. Maak een onderscheid in ziekteverzuim en wie waarmee druk is. Ziekteverzuim dat te beïnvloeden is door de wijkverpleegkundigen (samenwerken, ARBO) dient snel samen met de betreffende wijkverpleegkundigen besproken te worden. Verzuim dat niet beïnvloedbaar is door de wijkverpleegkundigen mag niet leiden tot werkbelasting bij de wijkverpleegkundigen; dat wil je als wijkverpleegkundigen bij de organisatie neerleggen.

3. Vraag om een duidelijk beleid vanuit de organisatie wat te doen bij risico op besmetting van zorgverleners in relatie tot werk. Dat kan soms afwijken van de landelijke regels van het RIVM en het is wenselijk deze regels zo snel mogelijk te duiden en gelijk te trekken. Een voorbeeld hiervan is dat veel zorgorganisaties het beleid hebben dat je toch mag werken met een besmet gezinslid in huis, maar dan wel onder bepaalde voorwaardes.

4. Vraag de organisatie hoe om te gaan met de Treeknormen en de wachtlijsten voor wijkverpleging in de regio. De organisatie kan dit proces ondersteunen.

5. De autonomie van de wijkverpleegkundigen omvat vrijheid van oordeelsvorming om zonder inmenging van derden in de individuele professional-klant-relatie te komen tot diagnosestelling en advisering over behandeling en/of therapie en/of alle verrichtingen, zoals ook het geven van raad met als doelstelling de verbetering van de gezondheid van de klant. Wij zijn daarbij gebonden aan het recht, de beroepscode en de inhoudelijke richtlijnen van onze beroepsgroep, waaronder de professionele standaard. Samenwerken als en met autonome professionals betekent dat de wijkverpleging dient te leren vragen wat zij nodig heeft van de organisatie en anderen. De organisatie dient te leren dat zij de besluitvorming in het wijkverpleegkundige proces overlaat aan de wijkverpleegkundigen en vraagt wat de wijkverpleegkundigen nodig hebben in alle specifieke situaties, zodat je van daaruit samen mogelijkheden en oplossingen kan verkennen.

6. Vraag de organisatie een digitaal hulpmiddel te ontwikkelen of in te zetten waarbij de wijkverpleegkundige met één druk op de knop haar team op ‘groen, oranje, rood of donkerrood’ kan zetten, zodat inzichtelijk is hoeveel ruimte ieder team heeft. Zorg er tevens voor dat wijkverpleegkundigen de teams van de eigen en van andere organisaties ook op deze manier kunnen inzien. Een voorbeeld hiervan is de Stoplicht App. Een voorwaarde voor het juiste gebruik van deze app is een goede definitie van de kleuren. Het aanleveren van de situatie van je team in actuele cijfers kan de kleurindeling objectiever maken. Het gaat daarbij om de verhouding tussen zorguren en de beschikking van collega’s in een team.

Groen: alle cliënten kunnen passend bij de coronafase instromen in het eigen team

Oranje: andere teams ondersteunen bij de instroom van cliënten passend bij de coronafase

Rood: er is alleen ruimte voor een zeer urgente zorgvraag

Donkerrood: er is geen enkele ruimte voor nieuwe cliënten.Het team heeft hulp nodig van andere teams bij de organisatie van zorg voor bestaande cliënten

7. Indien er nog geen gezamenlijke instroom van nieuwe cliënten plaatsvindt in de regio kan de organisatie gevraagd worden om samen met de andere organisaties een plan te maken omtrent hoe, waar en door wie de instroom plaats dient te vinden in fase 2. De triagisten hoeven geen wijkverpleegkundigen te zijn.

8. Vraag om actueel en continu inzicht in lege bedden, teams en wachtlijsten in de regio.

9. Vraag de organisatie hoe de besluitvormingsstructuur tijdens de crisisfases plaatsvindt. Wie is betrokken in de crisis en wie is bevoegd om welke besluiten te nemen? Dan weet je waar je moet zijn om je niet alleen betrokken te voelen, maar ook invloed te kunnen uitoefenen. Toets je ideeën vooraf met andere wijkverpleegkundigen. Het versnelt de besluitvorming als je op één lijn zit en de zaken al met elkaar hebt afgestemd.

10. Iedere crisis kent weer een andere nuance en andere problemen. Lees eerdere plannen kritisch en beoordeel of het plan ook bij de huidige problemen helpend is, en doe voorstellen voor aanpassingen bij de organisatie als dat niet zo is.

11. Vraag de organisatie welke communicatiestructuur er tijdens de crisis is opgezet en hoe en wanneer er aan wie gecommuniceerd gaat worden.

12. De gemeente en alle welzijnsorganisaties hebben officieel pas een rol in fase 3. Vraag de organisatie om al in fase 1 te verkennen of deze samenwerkingspartners in fase 2 al iets kunnen betekenen, zodat de gevolgen van fase 3 minder impact op de maatschappij zullen hebben.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.